Certificaten van een Zwarte Duivel
Het Mariniersmuseum Rotterdam heeft op vrijdag 21 augustus een prachtige schenking in ontvangst mogen nemen. Het betreft een bronzen beeldje van een marinier en verschillende certificaten: Het Nieuw-Guinea Herinneringskruis, het Oorlogsherinneringskruis met de gespen en het Ereteken voor orde en vrede met gespen. Allen op naam van Arie Profijt, een marinier die op 18-jarige leeftijd betrokken is geweest bij de gevechten in Rotterdam in de meidagen van 1940. Zij zoon, Peter, schenkt de objecten van zijn vader om daarmee een belangrijk stuk Nederlandse geschiedenis levend te houden.
Zwarte Duivels
Op vrijdag 10 mei 1940 werd Nederland binnengevallen door Nazi-Duitsland. De jonge Arie was op dat moment gelegerd in de kazerne aan het Oostplein in Rotterdam. Hij had pas één keer met scherp geschoten, toen hij een Mannlicher M95 in zijn handen gedrukt kreeg en de strijd om de Maasbruggen aanging. Arie werd daarmee één van de Zwarte Duivels, de bijnaam voor de mariniers die tijdens de meidagen van 1940 Rotterdam verdedigden. De naam (oorspronkelijk die schwarzen Teufel) verwijst naar de donkerblauwe overjassen en zwartgeblakerde gezichten waarmee enkele mariniers verschenen aan de Duitsers na de capitulatie en het moedige verzet dat zij hadden getoond tegen de vijand.
Oorlog in Rotterdam
De Rotterdammers werden volledig verrast toen Duitse bommenwerpers op de vroege ochtend van 10 mei vliegveld Waalhaven in het zuiden van Rotterdam bombardeerden. Het lukte de Duitse militairen om het Noordereiland en posities op de Maasbruggen te veroveren. De mariniers moesten direct in actie komen om de Duitse opmars te stoppen. Dat betekende in de praktijk dat Arie, samen met andere jonge mariniers, compleet onvoorbereid de strijd moest aangaan. ‘De mannen werden de avond vóór de Duitse inval naar bed gestuurd met de mededeling dat ze rustig konden gaan slapen. Ze waren net allemaal in dienst.’
Terwijl de stad in totale chaos verviel, snelden alle mariniers zich naar het slagveld om het Oostplein af te grendelen, patrouilles uit te zenden en de bezetting op de treinstations te versterken. ‘Mijn vader zag destijds een oude vrouw vluchten voor het geweld met in haar ene hand een kind, een kooitje met kanarie in haar andere. En hij stond daar dan. Met zijn geweertje. Hij moest de stad redden.’ ‘Het verdriet en de wanhoop dat hij zag bij de burgerij en het gevoel van machteloosheid dat hij zelf ervaarde is hij nooit vergeten.’ Hoeveel emotie deze herinnering losmaakte in Arie is ook te zien in ons museum. In de tentoonstelling ‘Meidagen 1940’ op de tweede verdieping van het Mariniersmuseum zie en beluister je Arie zelf over dit aangrijpende moment dat hij nooit vergeten is.
Al snel bleek dat de Duitsers het land binnenkwamen op manieren die Arie niet voor mogelijk had gehouden. ‘Mijn vader vertelde me ooit: ja, nu weten we inmiddels wat parachutisten zijn. Maar toen… Ik zag plotseling een vent aan een lap katoen in de lucht hangen. Ik wist niet wat ik zag. Dus ik schoot maar gewoon, op alle vreemde uniformen die ik zag.’ Het duurde niet lang voordat de oorlog het leven van Arie voorgoed veranderde. ‘Een van de eerste doden die mijn vader tegenkwam, was één van zijn beste maten. Daar sprak hij later eigenlijk nooit over.’
Vier lange oorlogsdagen volgden waarin de mariniers, in samenwerking met collega’s van de Landmacht, Luchtmacht en Marine, vochten voor Rotterdam. Op dinsdag 14 mei kwam er met veel geweld een einde aan de strijd. De Duitsers lieten een ultimatum uitgaan waarin zij eisten dat het verzet in de stad moest worden gestaakt. Zij dreigden met ‘maatregelingen van vernietiging’. Terwijl de onderhandelingen hierover nog in volle gang waren, werd de binnenstad getroffen door een hevig bombardement. Tussen de 700 en 900 mensen verloren hierbij het leven. Op 15 mei 1940 capituleerde Nederland.
Onderduiken
Na de capitulatie hief de bezetter de Nederlandse krijgsmacht op. Arie gaf zich echter niet gewonnen. ‘Nederland capituleerde en een hele hoop mensen (militairen) moesten zich melden. Dat deed mijn vader absoluut niet. Hare Majesteit koningin Wilhelmina had gezegd niet melden! Hoger krijg je ze niet, zei mijn vader me altijd. Hij ging zich dus niet vrijwillig bij de vijand melden, maar hij keek wel toe, hoe sommigen daar met gepoetste schoenen en knopen voor de deur stonden. Dat heeft bij hem altijd gewrongen.’ ‘Het merkwaardige is dat later, na de oorlog, zij die zich destijds hebben gemeld bij de vijand, de pensioengerechtigde diensten doorbetaald hebben gekregen over deze periode. Mijn vader niet, terwijl hij altijd trouw is gebleven aan Nederland.’
Omdat Arie zich niet ging melden en krijgsgevangenschap wilde voorkomen, moest hij onderduiken. ‘Mijn vader heeft toen ondergedoken gezeten in Winterswijk. Met de familie die hem toen heeft opgevangen heeft hij nog jarenlang contact gehouden. Hoewel mijn vader graag de Duitsers wilde saboteren, lukte hem dat niet. Hij zei me altijd dat hij van alles probeerde, maar dat hij niets had. Toch heeft hij niet stilgezeten, hij was een jonge vent. Hij ging soms, verkleed als vrouw, het land op om te werken. Dat was inclusief een pijp in zijn mond. Dat kwam heel charmant over natuurlijk.’
Hoe zwaar de oorlog zijn vader had geraakt, werd pas tegen het einde van zijn leven duidelijk. ‘Toen kwam het eruit, wat hij hier had beleefd in Rotterdam. Dat vond hij zo vreselijk, wat hier was gebeurd.’ ‘Het is heel triest, wat hem toen op jonge leeftijd, aan het begin van zijn loopbaan bij de mariniers, is overkomen.’ ‘Hij werd na de oorlog ook wel eens boos, als iemand erover sprak en zaken zat te romantiseren: als hij werd weggezet alsof hij Napoleon was. Daar hield mijn vader niet van.’ ‘Toch was hij in hart en nieren een trots marinier. Hij heeft gestreden voor vorst en vaderland.’
Littekens
Voordat Arie stierf, sprak hij zijn zoon nog één keer toe. ‘Op een gegeven moment ging mijn vader rechtop zitten, voor zover hij dat nog kon. Toen zei hij: Ik heb lang de tijd gehad om na te denken en ik ben ervan overtuigd dat ik niets verkeerd heb gedaan.’ Arie overleed op bijna 92-jarige leeftijd op 28 januari 2013. Hij was één van de laatst levende mariniers die betrokken is geweest bij de slag om de Maasbruggen.
Indonesië en Nieuw-Guinea
Tijdens zijn carrière bij de mariniers is Arie ook uitgezonden geweest naar Indonesië en Nieuw-Guinea: twee reizen waar hij nooit over gesproken heeft. Desondanks geeft zijn zoon Peter aan dat hij een belang stukje nalatenschap van zijn vader, dat verbonden is aan deze missies, wil meegeven. Het betreft een gedicht van Legercommandant generaal Simon Hendrik Spoor, dat zijn vader altijd in huis gehad heeft:
Wij wenden ons tot God en Jan Soldaat, als hooge nood en bett’re strijd ons wacht.
De nood voorbij, het land in vredesstaat, vergeten wordt de Heer en Jan Soldaat veracht.
Commandant Spoor was opperbevelhebber van de Nederlandse troepen in Nederlands-Indië tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949). Onder zijn mannen had hij een goede naam als “bewonderenswaardige, onvermoeibare en tegelijk menselijke legercommandant die het hoogste offer gaf voor de vervulling van zijn taak.” Met dit gedicht kwam hij op voor het leger tegenover de kritiek vanuit politiek en maatschappij in 1948. Deze kritiek kwam voort uit onder andere de Pakisaji-zaak en internationale druk.
Spoor wilde de burgermaatschappij goed laten nadenken over de moeilijke situatie waarin de Nederlandse militairen zich bevonden. De Nederlandse publieke opinie was sterk verdeeld over de jongemannen die het leven hadden gewaagd in uitoefening van militaire plicht. Militairen werden soms uitgemaakt voor moordenaars of bezetters. Spoor vond dat de militairen juist moesten kunnen rekenen op maatschappelijke acceptatie en steun voor hun inzet.
Het gedicht is tot op de dag van vandaag voor veel militairen nog steeds relevant. Zij willen de lage maatschappelijke en politieke waardering voor het leger hiermee aankaarten. Ook Peter vindt het belangrijk dat we de offers die militairen brengen en de veiligheid die zij ons verzekeren, nooit vergeten of voorlief nemen.
Nalatenschap
Peter geeft in het gesprek aan dat hij blij is dat het nalatenschap van zijn vader in het Mariniersmuseum in Rotterdam zichtbaar blijft. ‘Hij vond het belangrijk om mensen bewust te maken van vrede en oorlog. Niets is vanzelfsprekend. Een oorlog kan er zo maar zijn: hij werd er destijds ook plotseling mee geconfronteerd. Een stad is zomaar gebombardeerd. Dan is alles gewoon in één keer weg. Vrede is kwetsbaar.’
Bronnen
K. de Jager, ‘God en Jan Soldaat: het gedicht waarmee generaal Spoor ophef veroorzaakte’ in Historiek (juli 2025).
K. Kornaat, R.L. Poetiray, ‘Het Korps Mariniers en Rotterdam’ in Militaire Spectator (december 2015).