Gerard van Diejen over Nederlands-Indië

In ons vorige verhaal maakte je kennis met Gerard, die zich op 19-jarige leeftijd aanmeldde voor de mariniers. Na een strenge keuring vertrok hij naar Camp LeJeune in Amerika voor zijn mariniersopleiding. Oorspronkelijk werd hij getraind voor de strijd tegen Japan, maar na de capitulatie in augustus 1945 kreeg Gerard een nieuwe opdracht: Nederlands-Indië opnieuw onder Nederlands koloniaal gezag brengen. In december 1945 vertrok hij richting Zuidoost-Azië, waar een nieuwe strijd wachtte.

De MS Noordam II

Noordam

In november 1945 vertrekken de mariniers met de Noordam, een omgebouwd vrachtschip. Gerard merkt hierover op dat deze reis erg zwaar was: Je lag in een bedrukt ruim met nauwelijks de ruimte om je kooi (slaapplaats) in te kruipen. “Aan boord, tijdens je nachtdienst moest je aardappelen schillen. Twee mariniers hadden de aardappelen te dik geschild. Zij werden gestraft wegens het onttrekken van het rantsoen der maten.”

Onderweg maakte Gerard ook nog mee dat één van de opvarende in een ongeluk komt te overlijden. “Er gold een wet: meer als twee dagen varen van een havenstad af, dan moet het lichaam overboord gezet worden.” Dit zeemansgraf kende een plechtige ceremonie waarbij het lichaam werd ingepakt in zeildoek en vervolgens werd verzwaard. Tot de plons ligt het schip stil, waarna het een rondje vaart op de plek van de ter waterlating. De gebeurtenis maakte diepe indruk op Gerard, maar hij zwijgt verder over de toedracht.

Onrust

Zodra Gerard en zijn kameraden nabij Nederlands-Indië arriveerden, ontstond er een probleem. Door ontwikkelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden de Britse autoriteiten tijdelijk het gezag in Indonesië. Omdat er geen bezettingsleger was en er een gespannen situatie heerste wilden zij het schip in de tropische wateren laten wachten. Uiteindelijk werd op 1 januari 1946 het 1e bataljon (A) van de Mariniersbrigade afgezet bij Batavia (het huidige Jakarta). Het 2e bataljon (B) ging door naar Malakka om te acclimatiseren. Bataljon C, waar Gerard deel van uitmaakte, meerde af op het quarantaine eiland Onrust (Pulau Kapal), voor de uitwendige beveiliging. Het eiland was een negen hectare groot koraaleiland in de baai van Batavia.

Gerard verbleef zo’n zes weken op dit eiland. Het was soms echt overleven. “De Javazee was je badkamer.” Verder moest bijvoorbeeld elektriciteit zelf worden opgewekt. Gerard heeft nog een paar opmerkelijke anekdotes over zijn tijd op Onrust. “De jonge mariniers kwamen erachter waar het noodrantsoen lag – ze hadden chocolade onttrokken. Uiteindelijk werd onder de matrassen van twee mariniers de chocolade ontdekt. Beide moesten voor de krijgsraad komen, één werd met een rood paspoort naar huis gestuurd.”

De mariniers waren niet de enige op Onrust. Zij moesten het eiland delen met gevangenen: de Duitse bemanning van duikboten die op de Japanse wateren voerden en zich niet hadden overgegeven werden gevangen op Onrust. Toch vonden er soms bijzondere en opmerkelijke samenwerkingen plaats. De gemeenschap op het eiland was immers klein. Het kwam daarom voor dat de Nederlanders een beroep moesten doen op een Duitse arts. Ook moesten de Duitsers zorgdragen over de machinekamer voor de elektriciteitsvoorziening.

 

Foto van de reis naar Nederlands-Indië en het verblijf aldaar tijdens de Politionele Acties. Collectie Nationaal Militair Museum

Strijd

Het overleven op Onrust kwam na enkele weken tot een eind. De mariniers moesten de Nederlandse militairen gaan bijstaan die de opdracht hadden gekregen landgenoten te beveiligen en beschermen en “orde en vrede” te brengen. De verhoudingen in Nederlands-Indië waren echter tijdens en na de Tweede Wereldoorlog flink veranderd. “De propaganda van de Japanners naar de Indonesiërs toe was: jullie moeten bevrijd worden. Japanse soldaten gaven na de capitulatie hun wapens aan de Indonesische bevolking. Nadat Soekarno de republiek Indonesië had uitgeroepen, begon de strijd van de Indonesiërs tegen ons.”

De nieuwe verhoudingen leidde tot flinke spanningen, met als gevolg de Politionele Acties (1946-1949) – een koloniale oorlog die geen oorlog genoemd mocht worden. De eerste actie van Nederland was gericht op het heroveren van economisch belangrijke gebieden, zoals Java en Sumatra. De tweede actie was met name een verrassingsaanval waarbij Indonesische leiders werden gearresteerd. De mariniers hadden tijdens de Politionele Acties een cruciale rol: zij voerden grootschalige amfibische landingen uit en veroverden zij strategische kustplaatsen.

De harde militaire inzet van de Nederlandse Staat kreeg flinke kritiek, zowel in eigen land als vanuit de Verenigde Naties. In Amsterdam vonden bijvoorbeeld enkele grote demonstraties plaats waarin het geweld werd afgekeurd. Onder druk van de Verenigde Naties werd op 5 augustus 1947 een wapenstilstand afgekondigd.

 

Gemengde gevoelens

Veel mariniers kijken met gemengde gevoelens terug op deze tijd. Zij vertrokken destijds immers vanuit een sterk plichtsbesef, met als doel de bevolking beschermen. Achteraf voelen zij vaak teleurstelling over de politieke afhandeling. “We hadden het gevoel dat we het doel waarvoor we ons hadden aangemeld niet konden volbrengen. Ik vind het normaal dat die mensen zelfbeschikkingsrecht wilden. Maar het had wel wat beter gereguleerd kunnen worden. Dat had niet met strijd gemoeten, maar met overleg.”

Terug in Nederland

De missie van Gerard in Nederlands-Indië duurde in totaal 33 maanden. Hij was blij dat hij weer naar huis kon. Met de Tabinta voer hij terug naar Nederland. “Het was oncomfortabel, maar je was op weg naar huis!” Toch was het erg wennen bij terugkomst om weer verder te gaan. De jongens in Nederland hadden bijvoorbeeld allemaal een fiets. Dat zat er voor Gerard niet in. Niet alleen was Gerard zijn jonge jaren kwijt aan de oorlogsjaren. Hij was getraumatiseerd na de gebeurtenissen in Nederlands-Indië. “Er ging zoveel door mijn kop.”

Toch lukte het Gerard om uiteindelijk weer een thuis op te bouwen in Nederland. Hij ging naar de avondschool en vond een baan in de textielindustrie. Hij trouwde, en werd vader van drie kinderen. Toch bleef de militaire discipline altijd hangen. “Mijn kinderen beweren openlijk dat ze altijd hebben kunnen merken dat hun vader een strenge discipline kende. 10 uur thuis, is 10 uur thuis.”