De Molukken en Nederland, hoe zit dat?
Op zondag 21 juni 2026 wordt het Nationaal Monument Ulu Kora ingehuldigd aan de Lloydkade in Rotterdam: de plek waar in 1951 het eerste schip met Molukse gezinnen aankwam. Het monument dient als een tastbare herinnering aan de beladen dekolonisatiegeschiedenis en als baken voor de identiteit en toekomst van de Molukse gemeenschap in Nederland.
“Mijn opa en oma kwamen van de Molukken. In 1951 kwamen zij met het gezin met de MS Roma naar Nederland. Zij arriveerden in Rotterdam in de veronderstelling dat hun verblijf slechts tijdelijk zou zijn.”
-Nathan Hahurij
De Molukken en Nederland, hoe zit dat?
Vanaf de 17e eeuw verovert de Nederlandse handelsonderneming de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC, 1602-1798) verschillende gebieden in Azië. Zij wil een monopolie op de handel in kruidnagel en nootmuskaat vanwege de lucratieve handel. Deze specerijen komen oorspronkelijk alleen in de Molukken voor, een eilandengroep gelegen in het oosten van het huidige Indonesië. De VOC neemt, door middel van forten, nederzettingen en onderdrukking van lokale bevolking, de macht over in dit gebied.
Na het faillissement van de VOC maakte de Nederlandse staat de Molukken tot onderdeel van de kolonie Nederlands-Indië. Om de Nederlandse economische en bestuurlijke belangen in de kolonie te beschermen, werd er onder andere een Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger opgericht (KNIL, 1814). Eind 19e eeuw traden veel Molukkers in dienst van het KNIL. Zij vochten onder meer tijdens de Tweede Wereldoorlog aan Nederlandse zijde tegen de Japanners.
“Opa had in het KNIL gediend.”
– Nathan Hahurij
Een strijd om onafhankelijkheid
Na de Tweede Wereldoorlog wil Nederland graag haar grip op de kolonie terug – in tegenstelling tot de Indonesische nationalisten. Hun voorman Soekarno (1901-1970) roept in augustus 1945 de Indonesische onafhankelijkheid uit. Een bloedige onafhankelijkheidsstrijd volgt. Heel wat Molukkers vochten in deze periode mee in dienst van de Nederlandse regering tegen de Indonesische nationalisten.
Op 27 december 1949 erkende Nederland de Indonesische onafhankelijkheid – Indonesië werd een deelstatenrepubliek. De Molukken moesten zich voegen bij de deelstaat Oost-Indonesië, ondanks protesten vanuit de Molukkers en de onderhandelingen vanuit Nederland. Kort na de overdracht van de soevereiniteit maakte de president Soekarno van de deelstatenrepubliek een eenheidstaat.
Een deel van de Zuid-Molukkers ging daar niet mee akkoord. Op 25 april 1950 riepen zij op het eiland Ambon een onafhankelijk Molukse republiek uit (Republik Maluku Selaton), de RMS.
De reis naar Nederland
In 1950 kwam er, met de onafhankelijkheid van Indonesië, een einde aan het KNIL. De Molukse KNIL-militairen zaten daarmee in een lastig pakket: demobiliseren óf opgaan in het nieuwe Indonesische leger. Velen kiezen niet. Zij willen juist meevechten voor de RMS-idealen en als dat niet kan, naar Nederlands Nieuw-Guinea vertrekken.
Beide opties blijken onacceptabel voor de Indonesische regering. Soekarno pleegt een invasie op Ambon, terwijl het overgrote deel van de Molukse KNIL-militairen verspreid was over de archipel en niet kon terugreizen naar het eiland. De RMS-regering moest uitwijken naar het eiland Ceram en startte vanuit daar een guerrillaoorlog onder leiding van hun president Chris Soumokil.
Nederland besloot zich in de kwestie te mengen door in 1951 op dienstbevel alle Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen naar Nederland te halen. In totaal kwamen ongeveer 12.500 Molukkers. Bij aankomst in Nederland werden zij direct ontslagen uit het leger. Dit was voor velen een diepe schok.
“Voor opa moet het pijnlijk zijn geweest dat hij, net als zoveel andere Molukse militairen, na aankomst in Nederland werd ontslagen uit het leger waarvoor hij zich jarenlang had ingezet… Onlangs vond ik in het Nationaal Archief documenten waaruit bleek dat hem destijds een bevordering was beloofd als beloning voor zijn inzet tijdens de Japanse inval in Nederlands-Indië. Samen met een aantal andere Molukse militairen had mijn opa in Medan, op Sumatra, met gevaar voor eigen leven Nederlanders beschermd. De beloofde promotie heeft hij uiteindelijk nooit gekregen. Dat moet hem diep hebben geraakt.” -Nathan Hahurij
Nederland beloofde aan deze groep een snelle terugkeer. Tot die tijd werden zij door de staat ondergebracht in kampen, waaronder voormalige kampen, vanwege de hoge woningnood na de oorlog. Integreren of werk zoeken werd niet gestimuleerd: de opvang zou immers tijdelijk zijn.
"Vanuit de haven werden zij ondergebracht in het Molukse opvangkamp Oranje bij Fochteloo, een voormalig kamp uit de oorlogsjaren.” - Nathan Hahurij
De Molukse kwestie
De belofte van terugkeren werd niet waargemaakt. In plaats daarvan werden zij geïsoleerd, deed de Nederlandse regering voor het gevoel van sommige Molukkers (te) weinig om de RMS-politiek te steunen en groeide het gevoel onder hen dat zij na jarenlange trouwe dienst nu aan hun lot werden overgelaten.
“Uiteindelijk kwamen mijn opa en oma met hun gezin terecht in Hoogkerk, bij Groningen. Opa ging werken bij verschillende fabrieken. Wel waren zij er destijds van overtuigd dat zij ooit zouden terugkeren naar de Molukken. Op zolder stonden jarenlang grote scheepskisten klaar, gevuld met linnengoed en andere spullen die van pas zouden komen wanneer de terugreis eindelijk zou plaatsvinden. Die terugkeer kwam er uiteindelijk nooit.” – Nathan Hahurij
In 1956 escaleerde de situatie voor het eerst tot een protest. Er volgden er meer in de jaren ’60. Nadat Chris Soumokil door het Indonesische leger in 1963 gevangen werd genomen en in 1966 werd geëxecuteerd op het eiland Pulau Ubi Besar door een vuurpeloton kregen de protesten in Nederland in de jaren ’70 vaker een gewelddadig karakter. Soumokil werd opgevolgd door een president in ballingschap: de in Nederland wonende Johan Manusama.
Treinkaping bij De Punt
Op 23 mei 1977 escaleerden de spanningen opnieuw. Bijna drie weken lang staat er een gele intercitytrein stil vlak bij het Drentse dorpje De Punt. De ramen zijn dichtgeplakt en op de neus wappert de vlag van de RMS. Binnen houden negen gewapende Molukkers 54 passagiers in gijzeling. De kapers vragen aandacht voor de Molukse kwestie. De treinkaping hield niet alleen heel Nederland in haar greep, het was wereldnieuws. Dat kwam mede door de betrokkenheid van kinderen: er vond een gelijktijdige gijzeling van een school in Bovensmilde plaats.
Na bijna drie weken onderhandelen besloot de regering om hardhandig in te grijpen. Op 11 juni openden mariniers het vuur. Zij werden bijgestaan door zes starfighters (jachtbommenwerpers). Hierbij kwamen twee gegijzelden en zes kapers om het leven. Deze bevrijdingsactie is tot op de dag van vandaag een gevoelig punt van discussie. Sommigen beargumenteren dat er boven proportioneel geweld is ingezet door de mariniers en dat de Nederlandse regering lange tijd informatie heeft verhuld. Anderen verdedigen de inzet van de mariniers: zij verkeerden in een uiterst dreigende context en men moest handelen in the heat of the moment. De mariniers wisten bijvoorbeeld dat er gijzelnemers waren met wapens. Eerder, tijdens een treinkaping in 1975, hadden Molukse kapers drie gegijzelden doodgeschoten. Deze achtergrondkennis werd meegenomen in de besluiten van ’77.
“De treinkapingen hebben op mijn opa en oma een diepe indruk gemaakt, zij kwamen uit een hechte Molukse gemeenschap waarin veel mensen wel een familielid, kennis of bekende van de kapers kenden. Nog steeds leven deze herinneringen voort. Wanneer de treinkapingen weer in het nieuws komen vanwege een boek, film of herdenking wordt er in de familie over gesproken.” – Nathan Hahurij
-
Treinkaping bij de Punt. Zuid-Molukker loopt langs de gekaapte trein met RMS-vlag (3 juni 1977)
-
RMS-vlag in de tentoonstelling “Zeesoldaat” in het Mariniersmuseum in Rotterdam.
RMS-vlag
Tijdens de beëindiging van de treinkaping hebben de mariniers een RMS-vlag meegenomen. De vlag is in de trein door de kapers vervaardigd uit gekleurde handdoeken met een waarschijnlijk uit de trein gesloopte aluminium buis als vlaggenstok. In de vlag zitten kogelgaten en afgeketste kogels. Deze vlag bevindt zich nu in het Mariniersmuseum.
In 2021 heeft de RMS-regering in ballingschap deze vlag teruggevraagd. Zij stellen dat de vlag destijds onrechtmatig is toegeëigend. Dit verzoek is tot op heden niet ingewilligd door de Nederlandse staat. Waarom? De vlag is uitgegroeid tot een politiek gevoelig object. De RMS is door Nederland nooit erkend als een onafhankelijke staat. Daarnaast beschouwt de Nederlandse overheid de vlag als een historisch object dat bij de Nederlandse geschiedenis hoort.
“Nu ik zelf ouder word, merk ik dat mijn Molukse afkomst steeds belangrijker voor mij wordt. Wanneer ik in Rotterdam ben, op de plek waar mijn familie voor het eerst voet zette op Nederlandse bodem, voel ik hoe dat verhaal me raakt. Het besef dat daar de geschiedenis van mijn vaders familie in Nederland begon, maakt indruk. Een van de scheepskisten van mijn opa staat tegenwoordig bij mij thuis. Zijn naam en KNIL-nummer staan er nog groot op geschilderd.” – Nathan Hahurij
Hoe nu verder?
Door de toegenomen aandacht voor politiek activisme en historische rechtvaardiging is er steeds meer aandacht gekomen voor roofkunst en koloniale cultuurgoederen. Daarom verdiept Stichting Koninklijke Defensiemusea (SKD), waar Mariniersmuseum onderdeel van uitmaakt, zich steeds verder in dit onderwerp. In 2024 organiseerde SKD al het symposium Honour & Discomfort: War Booty in Museum Collections. In oktober dit jaar zal een publicatie verschijnen naar aanleiding van dit symposium.
Onderdeel van de publicatie is het artikel van Wim Manuhutu, ‘Tiga, dua atau empat warna. The multi-layered history of Moluccans.’ Hij bespreekt in zijn stuk onder andere de situatie die zich destijds voordeed bij De Punt en de RMS-vlag.
Vooralsnog kunnen we geen antwoord geven op de vraag waar de RMS-vlag thuishoort. SKD heeft de vlag in langdurige bruikleen en is geen eigenaar. Het is daarom niet aan ons om te bepalen wie formeel eigenaar van de vlag is. Wel draagt het Mariniersmuseum grote zorg voor de vlag. We streven ernaar iedere bezoeker in de tentoonstelling ‘Zeesoldaat’ een volledig beeld te geven van wat er destijds gebeurde, maar vooral ook waarom.
“Ik ben opgegroeid op een boerderij in Drenthe en toch merk ik dat mijn Molukse wortels steeds meer betekenis voor mij krijgen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik besef dat identiteit niet uit één verhaal bestaat, maar uit alle verhalen die samen een familie vormen.” – Nathan Hahurij
Nathan Hahurij is opgegroeid in Drenthe, maar vertrok voor zijn studie geneeskunde naar Leiden. Momenteel is hij kindercardioloog bij het Leids Universitair Medisch Centrum. In zijn vrije uren verdiept hij zich steeds vaker in de geschiedenis van zijn opa. Hij is zelf meerdere keren in Indonesië geweest: dat geeft hem soms een klein gevoel van thuiskomen.
Over de auteur
Dit artikel is geschreven door Berdien de Wilde, met een persoonlijke noot van Nathan Hahurij.